Arno Geiger – Onder de Drachenwand

Indringend, maar mooi

Oostenrijkse roman over het laatste oorlogsjaar in Oostenrijk en Duitsland.

Voor mensen die de Tweede Oorlog niet hebben meegemaakt is het moeilijk voor te stellen hoe het leven toen verliep. Er zijn boeken en films te over, die het proberen in beeld te brengen, maar meestal zijn die gericht op één gebeurtenis, een held of heldhaftige daden: veel aangezet drama. Ook het land van de agressor, Duitsland, komt weinig in beeld. Weinig boeken of films gaan over het gewone Duitse volk, dat uiteindelijk ook te lijden had onder deze onbarmhartige oorlog.

Jonathan Littell schreef De welwillenden, een epos over een hoge Duitse SS’er, een indrukwekkend verhaal over het geharrewar tussen de verschillende Duitse militaire groepen en hoe zij met hun macht omgingen. Arno Geiger’s boek is echter totaal verschillend: hij beschrijft het leven van gewone mensen in het laatste jaar van de oorlog, toen er duidelijk scheuren ontstonden in het bastion van het Derde Rijk. De geallieerden stoomden op vanuit Frankrijk, veel Duitse steden werden gebombardeerd en het regende meldingen van aan het front gesneuvelde zonen en vaders.

De 23-jarige Oostenrijkse soldaat Veit Kolbe heeft de gruwelen van het front in Rusland aan den lijve meegemaakt. Hij raakte gewond en gaat naar huis, in Wenen, om te revalideren. Daar botst hij met zijn vader, die nog altijd met de Grote Oorlog dweept, terwijl zijn zoon zich vertwijfeld afvraagt welk nut het dient om zoveel mensen af te slachten. Daarom vertrekt hij naar zijn oom Johannes, die aan de Mondsee is gestationeerd als wachtpostcommandant.

Op zijn rustige post is er weinig waar deze oom zich druk over maakt, als hij maar aan tabak kan komen, dat op rantsoen is. Ver weg van het wapengekletter hoopt hij hier de oorlog ongeschonden door te kunnen komen. Hij doet het minimale, maar heeft wel genoeg macht om zich te doen gelden.

Ook Veit houdt zich koest in zijn kamer even buiten het dorp. Hij heeft heel wat te verwerken. Hoe meer hij nadenkt over wat hij heeft meegemaakt, hoe zinlozer de oorlog hem voorkomt. Hij begint zelfs stiekem te hopen dat ze snel de oorlog zullen verliezen: als het maar ophoudt.

Dat kan hij niet tegen zijn verhuurster zeggen, een zure vrouw, getrouwd met een SS’er, die de meeste tijd ergens voor de oorlog op pad is. Zij ziet Veit als een gezonde jongeman die terug naar het front moet. In tegenstelling tot haar broer, de Braziliaan, die naast de stal woont waar Veit’s kamer is. Die heeft het nationaal socialisme nooit wat gevonden en zijn hart aan Brazilië verpand, waar hij enige jaren heeft gewoond. Hij heeft een kas waar hij orchideeën en groenten kweekt en naar Braziliaanse muziek luistert. Hij steekt zijn kritiek op de domme oorlog niet onder stoelen en banken. Veit begint steeds meer met hem op te trekken.

Ook zijn buurvrouw ziet Veit steeds vaker: Margot, een jonge Duitse vrouw uit Darmstadt, die met haar baby in een kamer woont naast Veit. Haar moeder schrijft haar in brieven hoe haar geboortestad vernietigd wordt door bommen, hoe vrienden en familie omkomen en hoe moeilijk het is om tussen de bomalarmen door een normaal leven vol te houden. Soms wordt ze kwaad wanneer haar twee dochters, die ze zo erg mist, haar dingen vragen zoals ondergoed. Dan schrijft ze verontwaardigd dat de meiden geen idee hebben hoe de situatie is: er is niets meer te koop in Darmstadt!

Veit gaat regelmatig langs Schwarzindien, het evacuatiekamp aan het meer, voor meisjes uit Wenen. Hij ontmoet er de 13-jarige Annemarie, die vol met plannen zit voor de toekomst met haar geliefde neef Kurt. Kurt en Annemarie onderhouden een hartstochtelijke briefwisseling, totdat een brief wordt onderschept en het hen verboden wordt contact met elkaar te hebben: Annemarie heeft de familie tot schande gebracht om zo vroeg al aan een amoureus avontuurtje te beginnen.

Tenslotte is er nog de Oostenrijkse joodse tandheelkundige Oscar Meyer, die een zoon naar Engeland heeft weten te krijgen, maar zelf twijfelt of hij met vrouw en jongste zoon wel moet vluchten. Wanneer ze hun huis in Wenen uit zijn gezet en het leven voor joden in deze stad niet meer leefbaar is, vluchten ze naar Boedapest. Zijn leven wordt van kwaad tot erger en hij heeft enorme spijt dat hij de hem ooit aangeboden baan in Afrika nooit heeft geaccepteerd.

Veit is de hoofdpersoon van het verhaal, maar al de andere brieven- en dagboekschrijvers maken het boek des te rijker. Het zijn allemaal gewone mensen, die voor- of tegenstander van de oorlog zijn. Veit’s vader houdt vast aan de plicht voor het vaderland, oom Johannes gebruikt die plicht om zijn eigen leven te verrijken. Veit begint heel duidelijk te twijfelen aan die plicht, probeert er onder uit te komen, komt in verzet, maar wil uiteindelijk niet zijn leven in gevaar brengen. Ook Meyer geeft ten slotte toe, alleen maar om zijn armzalige leven enigszins te verlichten. Kurt is zo ondersteboven van het verlies van de liefde, dat, wanneer ook hij tenslotte in dienst moet, hij de hele boel gelaten over zich heen laat komen. De Braziliaan is de sterkste man die zich woordelijk verzet, maar daar niet zomaar mee weg komt.

Iedereen stond anders in de oorlog, voor wat voor reden ook. Als het aan Veit had gelegen, was hij eeuwig aan de rustige Mondsee gebleven, waar de bommenwerpers hoogstens overheen vlogen. De Drachenwand, een steil oplopende berg, waakte over het plaatsje.

Er waren de seizoenen, de natuur en natuurlijk de liefde. Niet alleen de onschuldige puberliefde tussen Annemarie en Kurt, die zulke aandoenlijke brieven schreef, maar ook tussen Veit en Margot, die langzaam en voorzichtig opbloeide. Dat maakt dit verhaal tot een boek dat je niet snel kunt wegleggen: mooie verhalen te midden van al dat verschrikkelijks dat toen gebeurde.

Dankzij de stijl van het boek, dagboek- en briefvorm, zit je de personen dicht op de huid en komen ze heel makkelijk tot leven. Je kunt je de wanhoop voorstellen van een moeder die haar stad langzaam in puin ziet vervallen, terwijl haar dochters en kleinkind ver weg zijn. Je kunt je de angst voorstellen van Veit, die opnieuw naar de slagvelden moet, je kunt je de spijt voorstellen van Oscar Meyer, die verkeerd had gekozen. Het einde van de oorlog kwam duidelijk in zicht, maar het zou nog lang duren voordat de oorlog daadwerkelijk werd afgefloten.

Onder de Drachenwand geeft een indrukwekkend beeld van het laatste jaar van de oorlog in Oostenrijk en Duitsland: chaos, wanhoop en steeds minder dikdoenerij over De Partij. Maar ook over de mensen, die ver van de politiek een eigen leven op de rails probeerden te houden. Ondanks de angst voor bommen, voor verraad en een tekort aan van alles, bleven brieven worden bezorgd en bloeide er hier en daar een liefde op die de oorlog doorstond.

Het waren echte brieven en dagboeken die Arno Geiger had verzameld, die hem op een dag de idee voor deze roman gaven. In het nawoord wordt verteld hoe het afloopt met iedereen (wat waarschijnlijk geen fictie is). Het verhaal is een fraaie dans van fictie en non-fictie, niet te zwaar, maar wel zo serieus dat je het niet makkelijk vergeet.

Arno Geiger – Onder de Drachenwand (Unter der Drachenwand, vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2018

Leeslinks
Nog een Oostenrijkse roman over de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog:
Paulus Hochgatterer – De dag dat mijn grootvader een held was
Oostenrijk en de oorlog:
John Wray – De rechterhand van de slaap
Duitsers in de Tweede Wereldoorlog:
Jonathan Littell – De welwillenden
Nir Baram – Goede mensen
Anthony Doerr – Als je het licht niet kunt zien
Rudolf Lorenzen – Allesbehalve een held
John Slavin – The Love Knot
Uwe Timm – De ontdekking van de curryworst
Keuzes tijdens een oorlog:
Drago Jančar – Die nacht zag ik haar
Over de jodenvervolging:
Charles Lewinsky – Terugkeer ongewenst